WMO
Door Agnes van Brussel
De Wmo en het Campina-toetje: verschillen en overeenkomsten
Ik heb een neef die je urenlang kan onderhouden over de totstandkoming van een Campina-toetje. Hoe een nieuw toetje wordt uitgevonden, hoe het wordt getest, welke marketingprincipes er aan te pas komen en hoe het toetje uiteindelijk in de supermarkt terechtkomt. Dat het interessant is, komt doordat mijn neef erg grappig is. Maar als ik het nu opschrijf, weet ik nauwelijks meer waar het om draait. Het is ook niet belangrijk voor me. Het toetje in de supermarkt is voor mij een gegeven. Maar dat er in toetjes wat te kiezen valt, kan ik wel waarderen.
Voor de meeste mensen die zorg nodig hebben, is het niet anders. Als je gehandicapt of chronisch ziek bent, is het prettig dat er voorzieningen beschikbaar zijn. Misschien heb je een rolstoel of een scootmobiel nodig en wellicht ook huishoudelijke hulp. Graag wil je weten waar je die hulp kunt krijgen. Als de voorzieningen in orde zijn, zal het je verder weinig kunnen schelen of die door de gemeente of het zorgkantoor worden verstrekt.
Maar dan opeens duikt er een groot verschil op tussen het toetje en een rolstoel of huishoudelijke hulp. Als er bij mijn neef iets gaat veranderen in het productieproces, dan hoor je daar niks over. Je merkt hoogstens dat je favoriete mousse au chocolat ontbreekt in het schap en even denk je een brief te sturen. Maar al snel heb je een nieuwe voorkeur ontwikkeld voor een romig rijstdessert en de brief blijft ongeschreven.
Als er bij de overheid iets in de financiering en organisatie van de zorg verandert, is dat aanleiding voor kilometers papier en jaren vergadertijd. Je wordt bestookt met informatie, inspraakavonden en tv-spotjes. Dat is democratie, een waardevol goed, zolang het niet leidt tot zorg en angst voor degenen die de zorg behoeven. Inspraak is mooi maar het kan ook teveel worden. Uiteindelijk gaat het toch vooral om de feitelijke steun, waardoor het leven wat lichter wordt.
Niet veel nieuws
Per 1 januari 2007 wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht. De gemeente gaat die wet uitvoeren. Voor een groot deel deed ze dat al jaren. Voor een rolstoel, aanpassing van de woning of parkeervergunning zijn mensen al lang gewend aan de bemoeienis van de gemeente. Het zijn voorzieningen uit de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), die per 1 januari opgaat in de Wmo. Het zijn dus nog steeds dezelfde ambtenaren die daarover gaan. Naast de Wvg verdwijnt de Welzijnswet, ook al een wet die zich vooral richtte op de gemeente en ook daarvoor geldt dat alle voorzieningen terug te vinden zijn in de nieuwe Wmo. Op die terreinen is er voorlopig dan ook weinig nieuws onder de zon voor de burger die het nodig heeft. Op termijn zullen er wel dingen veranderen, in verband met de financiële ruimte van de gemeente of nieuwe beleidsinzichten. De Wmo geeft zeker aanleiding om oud beleid te toetsen aan de mooi geformuleerde nieuwe doelstellingen in de wet. Maar dat heeft tijd nodig en zal niet direct tot spectaculaire wijzigingen leiden.
Wat verandert er wel?
Veel van de maatschappelijke onrust over de Wmo gaat over de huishoudelijke verzorging, die per 1 januari overgaat van het zorgkantoor (dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) uitvoert, red.) naar de gemeente. Er gaat meer over van de AWBZ naar de Wmo, maar dat zijn subsidieregelingen die de burger minder direct raken. De spanning bij de burger zit vooral op het gebied van de huishoudelijke verzorging. Kan ik mijn vertrouwde hulp behouden, krijg ik nog evenveel hulp en moet ik ervoor gaan betalen?
Die vragen zijn maar gedeeltelijk te beantwoorden en natuurlijk geeft dat onzekerheid bij de burger. Toch kun je je afvragen of de veranderingen die er komen zo ingrijpend zullen zijn. Ook nu, dus nog vóór de invoering van de Wmo, kan het gebeuren dat je met een nieuwe hulp te maken krijgt door ziekte, zwangerschap of gewoon omdat het de thuiszorgorganisatie beter uitkomt. De vergelijking met het Campina-toetje gaat dan wel op. Het is even wennen, maar misschien is het rijstdessert wel net zo lekker en minder ongezond. In de hoeveelheid zorg en de kwaliteit van de zorg verandert met de Wmo waarschijnlijk niet veel. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) stelt op dit moment vast hoeveel zorg iemand nodig heeft. Er is een grote kans dat het CIZ dat voor veel gemeenten zal blijven doen. Eenvoudige indicatiestellingen willen veel gemeenten zelf doen, maar dan maken ze gebruik van de standaardprocedures die het CIZ ontwikkeld heeft. Die procedures zijn zo gedetailleerd beschreven dat er voor de gemeenteambtenaar weinig ruimte overblijft voor eigen inzichten.
Het proces van indicatiestelling heeft in het verleden tot veel vertraging geleid bij het verlenen van zorg. Alle klachten daarover en de komst van de Wmo lijken vruchten af te werpen. Indicatiestellingen worden op dit moment vrij snel afgehandeld.
Instellingsbelangen
Toch maken veel belangenorganisaties, welzijns- en zorginstellingen zich zorgen over de Wmo. Die onrust is begrijpelijk, omdat ze in hun bestaan worden bedreigd. Met de Wmo zullen veel organisaties hun vanzelfsprekende financiering verliezen. De gemeenten gaan zorg en diensten inkopen met het Wmo-geld en zij moeten dat doen door Europese aanbesteding. Dat betekent dat alle zorginstellingen en leveranciers van diensten met elkaar moeten gaan concurreren. Thuiszorgorganisaties zonder winstoogmerk, verenigd in de koepelorganisatie Z-org, hebben nu 90% van het werk in handen. Ze moeten gaan concurreren met commerciële thuiszorgorganisaties en schoonmaakbedrijven. Ook welzijnsinstellingen moeten concurreren met hun cursus-, opbouw- en ouderenwerk. Deze nieuwe werkwijze is zowel voor gemeenten als instellingen erg wennen. Er wordt nagedacht over gunningscriteria om toch vooral kwaliteit te behouden en veel organisaties hebben het afgelopen jaar geoefend in een soort proefaanbesteding. Het is spannend hoe de aanbesteding zich gaat ontwikkelen en het is aan de gemeenten ervoor te zorgen dat de zorgbehoevende burger er geen schade van ondervindt.
Persoonsgebonden budget
In de Wmo moet de gemeente meer gaan kiezen, maar dat geldt ook voor de burger. Als je een indicatie hebt voor huishoudelijke zorg moet je kunnen kiezen tussen minstens twee organisaties die thuiszorg aanbieden. Dat heet zorg in natura. Je kunt ook kiezen voor een Persoonsgebonden budget (Pgb). Dat geldt niet alleen voor thuiszorg maar ook voor tal van andere voorzieningen. Wie kiest voor een Pgb krijgt geld en moet zelf aan de slag om de hulp of de voorzieningen te regelen. Het is een mooie gedachte dat je het heft in eigen handen krijgt, maar niet iedereen is geschikt om voor werkgever te spelen, zeker niet in de laatste plaats vanwege zijn ziekte of handicap. Wie overweegt om in plaats van zorg in natura te kiezen voor een Pgb zou eens te rade moeten gaan bij de vereniging Per Saldo (www.pgb.nl). Dit is een belangenvereniging van mensen met een Pgb. Door ervaring wijs geworden heeft deze vereniging een test ontworpen waarmee mensen kunnen bepalen of zij geschikt zijn om een regie- of werkgeversrol te vervullen.
Tot slot nog de Campina-toetjestest. Wat doet u als de mousse au chocolat uit het schap is verdwenen? Pakt u uw kookboek en gaat u zelf aan het kokkerellen met dikke plakken pure chocola of kiest u voor een ander toetje bij de supermarkt? Kiest u welbewust voor het kokkerellen dan is een Pgb misschien heel geschikt voor u.
Voor meer informatie: www.vng.nl, www.nizw.nl, www.pgb.nl.